Luchtbuksschieten met Wout en Rik

Geweer opaOpaMijn opa (van moeders kant), landarbeider, had ergens in de jaren ’50 een luchtbuks gekocht. Een heel goeie, want mijn opa hield van kwaliteit.

Hij kocht hem in eerste instantie om de vogels van het land te verjagen. Mussen en duiven waren het doelwit. Hij schoot ze met groot gemak van het dak van de boerderijwoning.
Het spreekwoord luidt: ‘Het is zo heet dat de mussen van het dak vallen’. Ha! Toen ze dat spreekwoord bedachten hadden ze niet in de gaten dat mijn opa aan de andere kant van het huis die mussen van het dak aan het schieten was.

De merels mochten van opa wel blijven leven, want die zongen zo mooi.

Maar ik kan me voorstellen dat hij ook afleiding zocht. Als je met vrouw en vijf dochters in een boerenknechtwoninkje aan de troosteloze Zwingelspaansedijk bij Fijnaart woont, je als elfde kind gewoon op je elfde aan het werk moest terwijl God je wel hersens had gegeven om meer te kunnen, dan wil je je wel een keer uitbundiger uiten en je verloren ambities een uitlaatklep geven.

Mijn opa zette zijn hersens in om als zeer sociaal bewogen bestuurslid van de Nederlandse Arbeidersbond van het CNV op te komen voor de rechten van de arbeider. Maar daarnaast waren er nog een hoop jaren aan verloren jeugd te compenseren. En dat deed hij door op latere leeftijd de dingen te doen die een ‘normale’ jongen al veel eerder zou hebben gedaan

Een van die dingen was dus lekker schieten. En mijn broer en ik mochten in onze jongste jeugd in de jaren ’60 ook een keer met het geweer schieten op het land van opa’s baas.
Ik raakte niets, want ik keek helemaal verkeerd door het vizier. Maar het geweer had wel mijn hart gestolen.

Op mijn broers 23ste verjaardag, in 1983, overleed mijn opa en het geweer raakte uit beeld. De enige die het ding nog bewust aan opa linkte was ik. Het geweer hoorde bij opa, zo leek het in mijn hoofd vast te zitten. Net als zijn bolknak, waarvan hij de peuk altijd heel duurzaam tot pruim promoveerde en hij dus de hele sigaar van voor tot achter genotvol benutte.

Toen mijn oma in 2006 in een verzorgingshuis werd opgenomen, werd haar huisje opgeruimd en kwam het geweer tevoorschijn, gewikkeld in een oude deken. Er zat ook een blikje met diabolokogeltjes bij:

Diabolokogels

De kinderen van opa en oma (mijn moeder en haar vier zussen) waren het met elkaar eens dat ik het geweer mocht hebben en daar was ik heel erg blij mee.

Maar ja, en dan? Wat moet je met een goed werkende luchtbuks in een rijtjeshuis met een kleine tuin? Aan de muur hangen en stof laten vangen is wel een heel sneu einde aan het leven van een prachtproduct met mooie herinneringen.
Van de wet mag je gewoon een luchtdrukwapen bezitten en ook gebruiken, maar alleen op privéterrein. En het leek me niet zo verstandig om daar mijn achtertuin van 11 meter diep voor te gebruiken. Het zou wel kunnen, maar ik denk dat de buren me dan voor gevaarlijke gek zouden verslijten.

Dus stond het geweer jarenlang in de kledingkast. Af en toe pakte ik ‘m en richtte ergens op, maar schieten kon niet.
Maar naarmate de tijd verstreek, kon de wet me steeds minder schelen. En een tijdje geleden vroeg ik aan jongste zoon Wout of hij zin had om een keer te gaan schieten. Domme vraag aan een wapenliefhebber. Natuurlijk wilde hij dat wel. Maar waar dan?

Oudste zoon Rik zei dat het bos bij het scoutingclubhuis wel rustig zou zijn nu het vakantie is, en dus trokken Wout en ik de stoute schoen aan en gingen vanmiddag op pad met geweer, kogels en lege frisdrankblikjes om op te schieten.

Aangekomen in het bos zette Wout een blikje in de vork van een paar boomstamtakken, zo’n 10 meter verderop. Ik klikte de loop open, deed er een kogeltje in en klikte hem weer dicht.
Ik herinnerde me dat ik in opa’s tijd niets raakte met het geweer. En ik wilde dat nu mijn allereerste schot raak zou zijn.

Ik legde aan, richtte en schoot. RAAK!
Het blikje viel op de grond. Aan twee kanten zaten grote gaten. Aan de achterkant was het gat zelfs veel groter dan aan de voorkant. Het lullige windbukskogeltje gedroeg zich als een dumdumkogel.

Nu mocht Wout:

Wout richt

Ook zijn eerste schot was raak. En van 5 meter verderaf weer:

Hij heeft aanleg. En zo schoot hij de sterren van de hemel:

We zijn een uur in het bos aan het schieten geweest. Wouts zomervakantie kan nu al niet meer stuk en ik heb ook genoten.

En ik weet zeker dat opa het fantastisch had gevonden.

Naschrift
Ik besefte vlak na het publiceren van dit stukje opeens dat opa dit jaar 30 jaar dood is. En dat hij is overleden op 17 juli.
Balen. We hadden dit drie dagen geleden moeten doen.

Update 12 augustus. Vandaag ook gaan schieten met Rik. En hij raakt ze ook lekker. Ik ben erg onder de indruk van de schietkunsten van mijn zoons.
Rik heeft er een (Engelstalig) verhaal aan gewijd. Met filmpjes. Klik hier.

Nieuwe auto. Alweer

Een maand na de total loss van onze Renault Scénic kochten we een nieuwe tweedehands auto, een Hyundai i30. Een mooi karretje met alles erop en eraan, voor een spotprijs.

Twee maanden later (half april) riep onze primus inter pares Mark R. ons op om wederom een nieuwe auto te kopen. Om het Centraal Planbureau te verslaan, zo zei hij.
Braaf en volgzaam als wij zijn gingen we aan de slag om, zij aan zij met onze eerste minister, het monster dat CPB heet te verslaan. Loerend naar een buitenkans zoefden we over ’s lands Heerenwegen.

Helaas trof die buitenkans op 22 juni onze auto vol in de linkerflank. Mijn eegade daarbij wederom de schrik van haar leven en een terugval in de genezing van de vorige aanrijding bezorgend, en de auto in de kreukels.

Gerda_auto_kreukels

Gerda werd afgevoerd in een ziekenauto en helemaal doorgelicht. Gelukkig geen breuken of andere schade. Maar haar hele bovenlichaam voelde aan “alsof het in een blok beton was gegoten”, zoals ze het zelf benoemde. Ook was ze duizelig.
Gerda’s passagiere kwam met de schrik vrij, maar ze kreeg later toch erge spier- en hoofdpijnklachten.

De auto werd afgevoerd naar een schadeherstelbedrijf en daar door een expert van de verzekering total loss verklaard. De dagwaarde van de auto was ongeveer 7.000 euro en de schade taxeerde hij op 8.699 euro, zei hij door de telefoon.

En 3 cent, grapte ik er verbitterd achteraan.

Ik wilde dat de auto zou worden gerepareerd, desnoods met gebruikte onderdelen. Want waarom zou je een gebruikte auto opknappen met nieuw plaatwerk? Dat zou al een paar duizend euro kunnen schelen en dus geen total loss hoeven te betekenen.

Maar Gerda wilde niet meer in die auto rijden. Ze zou zich er niet meer veilig in voelen. En de man van onze autoverzekering gaf haar gelijk, want hij gaf onafhankelijk van haar dezelfde tip.
En toen vond ik het ook logisch. De kwaadheid over het hele gebeuren vloeide plotseling uit mijn lijf en ik ging op zoek naar een andere auto.

Dat was vorige week vrijdag.

Eigenlijk vrij snel hadden we twee kandidaten. Want we hadden bij onze vorige speurtocht al een hoop merken en types geëlimineerd en zochten heel gericht naar een Hyundai i30 en een Peugeot 308.

Omdat we inmiddels een fietsendrager hebben, zocht ik gericht naar auto’s met een trekhaak en natuurlijk moest er cruise control opzitten.
De zoektocht naar een Hyundai was snel klaar. Er was geen aanbieding die ons zinde.
Ik vond wel twee Peugeots 308. Een in Gemert, maar die was zwart. En dat betekent wekelijks auto wassen en daar heb ik een broertje dood aan.
De andere stond in Hasselt. Een blauwe met weinig (42.000) kilometers voor 13.345 euro.

Ik belde het autobedrijf en kon er zomaar ruim 1.000 euro vanaf babbelen. Ik internetbankierde 250 euro vooruit om de auto te reserveren. Ik zou dan deze week de auto gaan bekijken en als ik hem goedkeurde helemaal betalen.

De garagist deed blijkbaar met pijn in zijn hart afstand van deze auto, want korte tijd na de vooruitbetaling had hij de advertentie op zijn website aangepast, waarbij hij duidelijk liet merken dat hij het jammer vond dat hij de auto had verkocht:

Helaas verkocht_autoverkoper vindt het jammer

De resterende 12.000 euro moesten we van de spaarrekening naar de betaalrekening overboeken. Maar omdat het inmiddels na 14.00 uur was, zou het niet meer dezelfde vrijdag kunnen worden verwerkt. Dat kon pas ná het weekend.
Wat een achterlijk gedoe weer met het bankverkeer. De hele wereldeconomie draait 24/7, behalve wanneer ik wat nodig heb.
Maar ja, je bent als consument afhankelijk van de grillen van de grootmachten en dus zat er niets anders op dan de nieuwe week af te wachten.

Maandag laat in de middag stond het geld op de betaalrekening, maar toen kwam het probleem met het betalen van 12.000 euro. Dat kan niet zomaar:
– pinnen kan alleen met een maximum van 2.500 euro per pasje;
– ik kon wel bij het hoofdfiliaal van ING 10.000 euro cash opnemen en dan de resterende 2.000 euro pinnen, maar …
– de autoverkoper wilde niet zo’n groot bedrag aan cash in huis;
– ik wilde niet via internetbankieren vooruitbetalen, want als de auto me niet zou bevallen moest ik nog maar afwachten of ik wel zomaar al m’n geld terug zou krijgen.

Gelukkig was er tóch een makkelijke oplossing, dankzij het feit dat de garagist en ik bij dezelfde bank bankieren. Dan kon ik bij hem op de computer het geld overschrijven van onze ING-rekening en dan zou hij het meteen op zijn eigen ING-rekening bijgeschreven krijgen.

Vandaag, dinsdag, ben ik samen met oudste zoon Rik de auto gaan bekijken. En kopen, want het is een plaatje.

Peugot garage

En wat Julius Caesar ooit schijnt te hebben geroepen over Cleopatra: “Dat neusje …”
Want dat is heel mooi.

Peugeot-neus

En je weet pas wat je hebt gemist als je bijna een half jaar in een Koreaanse auto hebt gereden en weer in een Franse auto stapt. Heerlijke stoelen, lekker vermogen en geen blik, maar gewoon staal als omhulsel.
Gerda vond de Hyundai een heel prettige auto. Ik had de eerste weken na aankoop ook een lekker gevoel in die luxe uitgevoerde auto. Maar ik begon me steeds meer te ergeren aan vooral het gebrek aan vermogen en het zenuwachtige stuurgedrag.

En ik weet zeker dat als Gerda in de Peugeot heeft gereden, ze ook blij is met deze Franse heerlijkheid.
Ze kan inmiddels haar hoofd weer heen-en-weer draaien en gaat komende donderdag proberen te werken.

Met als vervoer de nieuwe tweedehands auto.

Eurovisie Songfestival

Vandaag was mijn vrijweldagelijkse wandeling knap mislukt. Ik moet concluderen dat ik Almere na 24 jaar nog steeds niet zo goed ken.

Ik belandde tijdens mijn zoektocht naar een fatsoenlijke wandelroute op het Pas de Deuxpad. Dat was eigenlijk medeoorzaak van het verpesten van mijn wandelmiddag, want deze naam deed mijn hersens malen. De naam deed melk klotsen, maar ik kon er maar niet achterkomen waar de tepel hing.

Malend en klotsend vervolgde ik mijn weg naar huis. En onderweg wist ik het opeens. Fluks versnelde ik mijn pas. Falderie, faldera …


.
Toen ik thuiskwam sneeuwde het een beetje en bleek jongste zoon de huiskamer te hebben verherverbouwd. Hij zat met een paar vrienden te gamen (Call of Duty – Black Ops 2):

Bankhangmodus“Welkom thuis!”, zeiden ze niet. Want te druk met gamen.

Maar ik, de superarrogante,


.
ik haalde mijn pc tevoorschijn, zocht en vond. De allerbeste inzending ooit van het Eurovisiesongfestival: Rendez-vous van de Belgische band, jawel, Pas de Deux.


.
Ze werden hiermee 18de in 1983.
En zo had het Pas de Deuxpad niet per se in de Almeerse Danswijk hoeven liggen, maar had het ook prima gepast in Muziekwijk-Noord.

De beste Nederlandse inzending was van 1984. De eerste zangeres van BZN, de Volendamse Marietje Kwakman, hield van mij en zong dit liedje, geïntroduceerd door mister Tros Nivo Nihil:

En ze werd 13de.

Dit jaar verzorgt Anouk Teeuwen de inzending voor het Eurovisie Songfestival:


.
Ik vind er geen ruk aan, dus ze zou zomaar hoog kunnen eindigen.

Schuttingpalen vervangen

Mijn vrouw Gerda en ik waren nogal onbemiddeld toen we besloten om samen een leven te gaan leven.
Gerda was net begonnen als verpleegkundige-omloop in de nachtdienst bij verpleeghuis De Drie Hoven in Osdorp, Amsterdam. Over een paar maanden werkt ze er al 25 jaar.
Ik kon na mijn opleiding HTS-werktuigbouw en dienstplicht geen werk vinden in de richting van mijn studie, en voorzag in mijn onderhoud als afdelingschef verf-behang-gereedschap bij de Kwantum Hallen in Utrecht, actief zoekend naar een technische functie in een veranderende wereld. De wereld was aan het veranderen van mechanische techniek naar automatisering. Ik bevond me tussen wal en schip en ik had helemaal niets met automatisering. Elektronica en programmeren waren, uitgezonderd hobbyniveau, niet aan mij besteed. Niet omdat het me niet interesseerde, maar omdat ik het niet onder de knie kreeg.

We woonden sinds 1986 samen op de derde etage in een ruime 4-kamerflat in Woerden en hadden het daar best naar ons zin. We namen een kitten in huis en een hamster:

seopenmormel

We waren van plan een gezin te gaan stichten en dus gingen we in 1988 op zoek naar een betaalbare koopwoning in Woerden. Liefst nieuwbouw. En we vonden zo’n huis, maar het kostte 155.000 gulden (ruim 70.000 euro). Dus op naar de bank voor een hypotheek.
Maar die hypotheek konden we op onze buik schrijven. De Woerdense banken gingen ervan uit dat de vrouw zou stoppen met werken als er een kindje kwam en met enkel mijn inkomen kon ik de hypotheek niet betalen.
Aldus werd voor ons beslist en dus geen huis voor ons in Woerden.

Almere was in 1988 in opbouw en zocht bewoners. Er werden leuke huizen aangeboden voor weinig en met gemakkelijke hypotheken. Gerda vond een advertentie in de Woerdensche Courant, van een Almeers nieuwbouwhuisje dat helemaal goed was. Niet groot, maar wel compleet en op een aangename plek.
Voor maar 131.000 gulden (bijna 60.000 euro). En ook nog premie-A, dus het was bij wijze van spreken nog net niet gratis.

Omdat Almere moest groeien, waren de banken scheutig met hypotheekverstrekkingen. Er werd wat moderner omgegaan met de invulling van het gezinsleven. Het ging de banken aldaar om de maandelijkse rentebetalingen en aflossingen en het interesseerde ze niet hoe je betaalde, als je maar betaalde.
Dus in 1988 kochten wij ons huis in de nieuwe Almeerse wijk Muziekwijk. Ik regelde overplaatsing van Kwantum Utrecht naar Kwantum Almere en in april 1989 werd ons nieuwe huis opgeleverd.

In juni 1989 was onze housewarming. Een zeer zonnige dag en ik vond een tuinenfoto van die dag:

Huis juni 1989Op de achtergrond de buurman met zijn toenmalige vriendin. Iedereen dacht dat hij een bouwvakker was, omdat hij grof oogde en een matje had. Maar hij bleek bankbediende te zijn.
Hij had een rij coniferen geplant, net op zijn eigen deel van de erfgrens, maar kleine boompjes worden groot. Ik vond ze in de loop der jaren steeds lelijker worden en ik besloot een schutting te plaatsen, zodat ik alleen de toppen van de coniferen nog zag.
Tijdens het plaatsen van de schutting bleek de stam en het wortelstelsel van alle coniferen ruimschoots over de erfgrens gegroeid te zijn, zodat ik noodgedwongen de schutting zo’n 10-20 centimeter vanaf de erfgrens op m’n eigen grond moest zetten.

22 jaar na het planten van de coniferen, op 15 april 2011, viel er opeens meer licht in de huiskamer. Buurman was zijn coniferen aan het omzagen:

Coniferenweg

Hij was ze opeens zat, zei hij.
Maar het nadeel was wel dat de schutting opeens vrij kon bewegen in weer en wind, terwijl hij al die jaren lekker gesteund werd door de coniferenhaag. En naarmate de paalrot toenam, nam ook de kans op paalbreuk toe.
Een paar weken geleden begaven twee palen het in de storm die langskwam en ik moest aan de slag om ze te vervangen. Door hardhouten palen, want meteen maar goed aanpakken. En dan ook meteen maar allemaal, want als er twee gaan, gaan ze allemaal.

Eergisteren heb ik de schutting afgebroken en nieuwe palen gekocht. En een lijntje gespannen om de schutting deze keer wel op de erfgrens te plaatsen. En toen bleek groot onheil: de schutting zou door de stronken van de coniferen heen gaan en ook zaten er stronken op plaatsen waar palen moesten komen.

Lijntje

Ik begon gewoon maar met het plaatsen van het eerste schuttingdeel en dat ging goed. Maar voor het tweede deel moest ik een paal neerzetten op de plek van een stronk. En ook bleek een andere stronk in de weg te zitten, waardoor het schuttingdeel niet geplaatst kon worden.

En zo ging het maar door. Het kwam erop neer dat ik een aantal stronken kon afzagen, maar ik moest er ook een zooitje uit de grond graven. Dankzij hefboomwerking gaven de uitgegraven kluiten hun weerstand vrij gauw op en hoefde ik alleen de dikke wortels nog maar door te zagen.

Nummer 7

Ik zei tegen mijn buurvrouw, die een biertje kwam brengen, dat ik de volgende keer een buurman zou uitzoeken die niet van coniferen hield.

Ik moest uiteindelijk drie stronken gedeeltelijk wegzagen en negen stronken uitgraven om de schutting in een rechte lijn te kunnen zetten. Op een stukje van nog geen 10 meter.

KlaarVandaag om kwart over vier was het klaar. Eergisteren was ik begonnen, maar met het tempo van een oudere jongere, dus kalm aan. Ik ben blij dat het af is.

Opeens tijd zat

Na een paar jaar een bijzonder aangename website gefrequenteerd te hebben, besloot ik om daarmee te stoppen. De irritaties jegens de beheerders liepen op en daardoor groeide het besef dat ik wel wat beters te doen had.

KlokOp deze vrijdag de dertiende (volgens mijn atoomtijdgestuurde klok) besloot ik wat achterstallig werk uit te voeren. Een van die dingen was de computer van collega Peter virusvrij te maken.

Hij kocht in 2002 een HP-computer. Een hartstikke prachtapparaat met fantastische eigenschappen voor die tijd. Een Pentium 4, DVD-schrijver, veel geheugen … Afijn, leest u maar op de etiketten van deze HP Pavilion 763.nl: CompPeter
Peter is digibeet. En helaas was het ding in de handen van zijn toen jonge kinderen een speelbal. Waardoor alles aan ellende van internet werd binnengehaald. De kinderen waren toen pas ongeveer 12 jaar oud, maar ze wisten via iMesh en andere uitwisselingsprogramma’s zoveel ellende binnen te halen, dat ik elk half jaar de computer moest schoonmaken. Niet omdat ik het aanbood, maar omdat ik Peter erg mag en hem graag uit de brand hielp zodra hij mij weer eens met een hopeloze blik aankeek.

Tot 2008. Toen was ik het zat. Zijn kinderen zouden nou toch weleens een keer oud en wijs genoeg moeten zijn om niet alle vinkjes aan te klikken of juist op te moeten letten dat er dingen ongevraagd kunnen worden meegeïnstalleerd.
En laat ze anders hun eigen computer kopen om te vernielen, zei ik tegen hem.

Maar hij is de goedmoedigste man die ik ken en hij laat zijn kinderen dan ook gewoon doorgaan met het ‘vernielen’ van zijn oude bakbeest. En zo heb ik eind 2009

voor de allerlaatste keer

zijn computer helemaal op orde gemaakt en de allerlaatste waarschuwing gegeven: “Ik doe het nooit meer! Je kinderen moeten nu wel een keer beter weten.”

Dus toen Peter vorige week vertelde dat zijn computer werd gegijzeld door het bekende politievirus,

politie-virus

wist ik genoeg: hij vroeg impliciet of ik alsmeblieft toch niet nog eens naar zijn computer wilde kijken. En ik kon het weer niet over mijn hart krijgen om te weigeren. Omdat hij het was.

Na een halve dag scannen kwamen er 14 virussen tevoorschijn:

Virussen

Maar dat was niet alles, want de firewall van Windows XP werd nog steeds geblokkeerd. Alle oplossingen die ik op internet kon vinden werkten niet en toen bleef er maar één middel over: Combofix. En die viste er nog het nodige aan ongein uit:

Combofix

Ik ben nu de laatste scan aan het draaien en het ziet er goed uit. Ik ben blij dat ik Peter weer uit de brand heb kunnen helpen.

Voor de allerlaatste keer …

Hoe vertel ik het mijn zoons?

Een bijzondere bijdrage van Trouws wetenschapsjournaliste Asha ten Broeke in de Volkskrant van 16 februari. Het begin van haar artikel is heel logisch, het middenstuk discutabel en haar eind-alinea ronduit belachelijk.

Zinvol is wat ze citeert van een Amerikaanse studente, en haar aansluitende vraag:

 ‘Ik heb het feminisme nodig, omdat mijn universiteit tijdens de introductie voor eerstejaars wel onderwijst hoe je kunt voorkomen dat je verkracht wordt, maar geen cursus heeft: niet verkrachten.’

We vertellen meisjes ontzettend veel over verkrachting, maar wat leren we jongens eigenlijk?

Meisjes en vrouwen die verkracht worden krijgen vaak de opmerking dat ze het wel uitgelokt zullen hebben. Dat ze dan maar niet in een minirokje over straat hadden moeten gaan. Of, in andere culturen, maar een hoofddoek hadden moeten dragen.
Als je fiets gestolen wordt, had je je fiets maar op slot moeten zetten. Als er spullen uit je huis worden gestolen, had je de deuren maar op slot moeten doen.

Al dit soort misdaden ademt het verwijt dat je iets uitlokt door het niet te voorkomen. En Asha stelt, samen met de rest van de redelijke wereld, heel terecht dat het niet moet gaan om een misdaad te voorkomen, maar om een misdaad niet te begaan.
Maar ze vergeet dat ook de vraag niet moet zijn hoe je je kinderen aan het verstand kunt peuteren dat ze een misdaad niet begaan. Want daarmee impliceert ze dat je kinderen misschien ooit een misdaad begaan.

Het mooiste is natuurlijk dat je kinderen niet beseffen dat ze ‘normaal’ doen. Dat je zoon geen meisjes verkracht, omdat hij daar niet bij na hoeft te denken. Dat je dochter gewoon dronken en dus kwetsbaar kan zijn zonder dat een man denkt dat ze daarmee aangeeft dat ze seks wil.

Vrijwel elke jongen weet dat hij niet met een mes uit een bosje mag springen om een meisje te verkrachten, maar er zijn meer dan genoeg onduidelijke, grijze seksgebieden waar met jongens niet of nauwelijks over wordt gepraat. Seks hebben met een stomdronken meisje, kan dat? Mag je je vriendinnetje vingeren als ze slaapt? Als iemand je de hele avond heeft zitten opgeilen, kun je dan gevoeglijk aannemen dat ze zin heeft in seks of moet je dat eerst nog vragen? En wat nou als je midden in het voorspel zit en zij besluit dat ze alsnog wil stoppen?

Toen ik dit stukje voorlegde aan mijn zoons, toonden ze beiden een groot vraagteken op hun voorhoofd, alsof ik een ongelofelijk stomme vraag stelde. En hun antwoord was duidelijk: nee is nee en als een meisje dronken is moet je daar geen misbruik van maken.

Wat u niet wil dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.

‘Seksueel geweld? Ja, daar kregen de meisjes op school wel les over. Wij jongens mochten die les rugbyen’, vertelde een vriend.

Huh? Ik ben een oude man, maar ik ben in mijn leven eigenlijk nooit geconfronteerd met seksueel geweld. Wel met de verleidingen, maar nooit met de lust tot.

Praten over seks met een puberzoon bleek niet voor iedereen even gemakkelijk. Een moeder met zoons van 13 en 15 vindt het al moeilijk genoeg om het over condooms te hebben, laat staan over verkrachting. ‘Ik kom niet veel verder dan ze te vertellen dat ze respect moeten hebben, dat een meisje zich gemakkelijk en veilig moet voelen bij hen. Dat alles om liefde draait. Als volwassen vrouw weet ik dat dit waardeloze antwijzingen [sic] zijn, maar als iemand iets beters weet? Dit blijft een heel erg moeilijk onderwerp.’

De vaders zijn over het onderwerp ‘seksueel geweld’ veelal kort van stof. Op de vraag hoe ze hun zoon hierover voorlichten hoorde ik variaties op: ‘Nooit. Doen. Begrepen?’ En daarmee is de kous wel af.

Waar slaat dit op? Wat is er in je opvoeding misgegaan als je het met je puberzoon over verkrachting moet gaan hebben? Het woord ‘verkrachting’ heeft al zo’n slechte betekenis dat het idee al niet eens in het hoofd van de puber zou moeten bestaan.

Het feit dat je je kinderen pas in hun puberteit moet gaan leren om misdaden niet te begaan betekent dat je in die voorafgaande 12 jaar geen moer hebt gedaan aan je opvoeding. Een puber zou er niet bij moeten hoeven nadenken om een misdaad niet te begaan. Een puber zou niet beter moeten weten, omdat hij vanaf babytijd ermee is grootgebracht dat hij van andermans spullen af moet blijven en dat hij respect moet hebben voor zijn mede-aardbewoners.

Als je puberzoon nascholing behoeft om misdaden niet te begaan, heb je als ouder in zijn jeugdjaren gefaald.
Heropvoeding van pubers is misschien nodig om achterstanden weg te werken, maar belangrijk is ook dat de huidige jonge ouders begeleiding krijgen bij hoe ze hun kinderen vanaf de luiertijd kunnen leren wat normaal gedrag is. Dat schijnen ze zelf nooit meegekregen te hebben.

Ze beginnen al wanneer zoonlief een peuter is te praten over fysieke grenzen. Dit is mijn lichaam, dit is jouw lichaam. Niemand mag iets met jouw lijf doen wat jij niet wilt. En jij mag niets doen wat de ander niet wil. In de hoop dat dit lesje lichamelijke soevereiniteit ook nog volstaat wanneer hun zoon botergeil en ladderzat op de achterbank van de auto ligt met een meisje dat bij nader inzien toch alleen maar wil zoenen.

Waarom wil ik mijn peuterzoon leren wat zijn lichaam is en wat dat van een ander? Waarom moet ik mijn dochter leren dat als een jongen onder haar rok kijkt, dat fout gedrag is van die jongen?
Je moet als ouder naar jezelf kijken als je een melding krijgt dat je kind abnormaal gedrag vertoont. Want kinderen spiegelen zich aan de ouders. Dus die ouders vertonen fout gedrag.

Kinderen spelen samen in hun jeugd en pas in de puberteit gaan ze concurreren. En dan moet je ervoor zorgen dat ze in hun jeugd gezonde invloeden hebben gehad. En die gezonde invloeden moet je niet aan je kinderen hoeven vertellen, maar moeten blijken uit je eigen gedrag als ouders.

En zo gaat het artikel maar door, met Amerikaanse voorbeelden en ideeën. En Asha sluit af met:

Ik kan me voorstellen dat ouders maar moeilijk kunnen geloven dat hun zoon de grenzen van zijn lief niet zou respecteren. En natuurlijk zijn niet alle jongens zo. Sterker nog: de meeste jongens zijn tedere goedzakken en hebben dat stevige keukentafel- of schoolklasgesprek over verkrachting helemaal niet nodig. Maar sommigen wel. We weten niet wie. En daarom moeten we allemaal met onze zoons over verkrachting praten.

Ga toch weg. Omdat een aantal zoons fout wordt opgevoed, moet ik mijn zoons leren wat ze niet zouden moeten hoeven leren? Ik zie me al aankomen bij mijn jongste zoon:

Ik: Wout, je mag geen meisjes verkrachten.
Jongste zoon: wat is dat, pap?
Ik: dat je niet zomaar een meisje aanraakt op plaatsen die ze niet wil.
Jongste zoon: welke plaatsen zijn dat, pap?

Enzovoorts.

Bron (abonnement vereist).

IRL-mopje

Wat staat er op de onderkant van een Belgisch bierflesje?
Aan de andere kant openmaken.

In Nederland staat op de melkpakken: ‘Hier openen.’
In België staat op de melkpakken: ‘Thuis openen.’

Zomaar een paar mopjes van de webs geplukt die gaan over domme teksten op verpakkingen.

Wij drinken al een paar jaar Innocent fruit smoothies en pas gisteravond werd ik door mijn vrouw gewezen op de tekst in de hals van het pak:

Innocent shake
Dat zal toch ook geen mop zijn?

De watersnoodramp van 1953. Deel 3 en slot

monument

(Vervolg van dit blog)

Maandag 2 februari 1953.

Naarmate de tijd vordert krijgt men meer zicht op de situatie. De ramp tekent zich steeds meer af: op vele plaatsen zijn huizen grotendeels of geheel verdwenen, met alles en iedereen erin.
De coördinatie is ook niet altijd optimaal, waardoor er verschillende reddingsploegen naar dezelfde woningen zijn gegaan om te kijken of er nog mensen aanwezig zijn.
Ook zijn er vrijwilligers die de militairen met hun boten begeleiden door de polders en die meer dan 24 uur achtereen in touw zijn. Zij kunnen wijzen waar men naar toe moet, omdat daar een woning moet staan of gestaan had. Het zijn meestal goede bekenden van hen die gered worden of, in veel gevallen, niet meer (levend) aangetroffen worden.
Op deze maandag zijn er in Fijnaart 429 en in Heijningen 265 militairen actief. 

aanhalingstekens openenDe volgende morgen werd ik door pa wakker gemaakt. “Opstaan joh, er is een boot naar ons onderweg.” Ik merkte dat de wind was geluwd; het was bijna windstil geworden. Het sneeuwde, de vlokken dwarrelden naar beneden. De oppervlakte van het water leek als een spiegel. Het stonk geweldig naar rioolwater. Maar de redding was nabij!

Snel deed moeder nog voor ieder van ons een verschoning in wat kussenslopen. Toen de boot aanmeerde zijn we, wadend door de huiskamer, ingestapt. De roeiboot was, nu met zes mensen aan boord, aanmerkelijk dieper komen te liggen. Soms liepen we dan ook vast op het pas geploegde land. Ik vond dat een wonderlijke gewaarwording: ruim een halve dag geleden kon je nog met een vrachtboot door de polder varen, nu loopt er een sloep vast. Gelukkig wist m’n vader goed de poldersloten te liggen, zodat we in wat dieper water konden gaan varen.

Toen ik vanuit de boot achterom keek, zag ik dat ons huis zeer beschadigd was. Het stond alleen nog maar op de twee zijgevels. De funderingen van de voor- en achtergevel waren er zo goed als uitgeslagen, waardoor deze alleen nog maar aan de zijgevels hingen. We waren met z’n allen door een oog van een naald gekropen.

Woonhuis

Het woonhuis, ca. 6 weken na de watersnoodramp.
Onder de ramen is de fundering weggespoeld door een venijnige draaikolk. Hierdoor is de buitenmuur weggeslagen.
Aan de rechter zijkant is de hele buitenmuur weggeslagen.

(De foto’s van en in het woonhuis zijn circa 6 weken na de watersnoodramp gemaakt door Wim Kielen, de verloofde van de oudste zus van mijn vader, Dina. Ze zijn erg wazig. Dat komt doordat het fotorolletje al eerder was gebruikt. De negatieven bevatten dus dubbele opnamen.)

Woonhuis 2

De achterkant van het woonhuis. De aangebouwde bijkeuken is compleet ingestort. De buitenmuur op die plaats is daarbij ook weggeslagen.

Even later stonden we veilig op het droge op de Kraaiendijk.

helse_haven

Onderin het ‘Helse Gat’, de ingang van de Heijningse Haven. Daarboven Fort Sabina en de doorgebroken Volkerakdijk.
In de zwarte cirkel staat het huis van mijn vader. In de rode cirkel is het gezin, na de redding uit hun huis, op de Kraaiendijk afgezet.

Toen we eenmaal vaste grond onder onze voeten hadden en wat tot rust waren gekomen, durfde ik weer om te kijken. Ik zag dat de buitendijk van onze polder op drie plaatsen was doorgebroken. Naar ik schatte waren dat gaten van minstens 200 à 300 meter lang. Eén ervan lag precies in het verlengde van ons huis.

Doorbraakplaatsen slachtoffers

Overzicht van de Sabina Henricapolder met de doorbraken van de buiten- en binnendijken. De doorbraak bij de Dintel was vanuit de polder naar buiten toe.
De cijfers geven de slachtoffers op die plaats weer.
Rechts naast de 8 is het gezin (mijn opa, oma, vader en diens broertje) op de Kraaiendijk afgezet.

Van het huis van de buren (bij het getal 6 onder de pijl) was niets meer over, alleen een hoop puin. Moeder had het gisteravond goed aangevoeld.

De buren (de familie Van Mourick) zijn alle zes omgekomen: een ouder echtpaar en een gezin met twee jonge kinderen. Zij hadden geprobeerd zich nog in veiligheid te brengen. Voor hun huis aan de overkant van de Sabinaweg stond een rij populieren, die bij ons huis zo’n beetje eindigde. De bomen stonden als soldaten om een boomgaard heen geplant. Het oudere echtpaar wist de bomenrij te bereiken. Kennelijk wilden ze van boom naar boom ons huis bereiken. Halverwege werden ze door de kou bevangen en zakten ze weg, vlak voor ons huis. Zij werden later net achter de bomensingel teruggevonden.
De ouders van het jonge gezin werden onder een brug over de sloot voor hun huis teruggevonden. Zij waren in elkaars armen gestorven. Hun zoontje werd een paar kilometer verderop bij de dijk langs de Dintel teruggevonden. Hun dochtertje werd weken later een paar honderd meter van het huis gevonden in een sloot, onder een dikke laag zand.
Het waren onze enige buren. Het verlies greep ons zeer aan. Waarom wij wel gered en zij niet?

Lijkenploeg

Een lijkenploeg is aan het zoeken langs de Sabinaweg. Op de achtergrond staat het woonhuis van mijn vader.

Nu ik dit verhaal zit te schrijven grijpt me de emotie weer naar de keel. Telkens als ik op tv natuurrampen, overstromingen, tsunami’s of aardbevingen zie, moet ik terugdenken aan onze ramp van ’53. Aan alle mensen die zijn omgekomen. In de Sabinapolder, waar wij woonden, vielen 51 slachtoffers. Er woonden toen hooguit 300 mensen.

Nadat we gered waren kwam er een bus, die ons naar het dorpshuis in Fijnaart bracht. Daar kregen we soep en broodjes. Dat smaakte best, vooral als je ca. 45 uur niets gegeten en gedronken hebt. We waren haast uitgedroogd. Voor de dorst mocht ik warme chocolademelk drinken, zoveel als ik wilde. M’n broer en ik wisten daar goed raad mee.

Toen we wat gerust hadden, probeerde vader mijn zusters Dina en Heleen en de overige familie en bekenden te verwittigen dat we gered waren. En dat we nu geen dak meer boven ons hoofd hadden. Eén van mijn ooms uit Bergen op Zoom heeft ons toen diezelfde dag nog in het verenigingsgebouw opgezocht en ons aangeboden om zolang als nodig was bij hen in te komen wonen. Aldus gebeurde.

Mijn zus Heleen werkte in die tijd in Amsterdam. Zij had het bericht van de ramp vernomen via de radio. Spoorslags was ze samen met haar verloofde Henk van Dongen naar Brabant afgereisd. Ze kwamen echter in verband met de beschadigde spoorlijn niet verder dan Zevenbergen.

Bij een Rode Kruispost daar kon men op hun vraag of we waren gered en of we nog leefden, geen antwoord geven. Men adviseerde hen om in het mortuarium in Roosendaal te gaan kijken.
Na een lange reis in de bus kwamen ze daar aan. Doodongerust om ons daar niet meer levend te zullen aantreffen. Toevallig ontmoetten ze iemand die hun kon vertellen dat we gered waren en bij een oom in Bergen op Zoom logeerden. Laat in de middag kwamen zij daar aan.
Het was inmiddels te laat geworden om die avond nog de terugreis te aanvaarden.

Dinsdag 3 februari 1953.

Vroeg in de ochtend zouden Heleen en Henk afreizen. Om mijn ouders wat te ontlasten stelden zij voor om mij mee te nemen. Met moeite stemde moeder daarmee in.
Ik werd in Zaandam opgevangen door de aanstaande schoonouders van zus Heleen. Ik ben daar liefdevol ontvangen. Zij hebben alles gedaan om het me naar de zin te maken. Daar ben ik ook naar school gegaan. Helaas heb ik er niets van gebakken. Ik bleef zitten.

nijhoff

“Het timmerbedrijf van Nijhoff. In het eerste huis met de luiken woonde de familie Nijhoff. Het huisje er tegenaan was de werkplaats. Het voorgeveltje is nog net te zien. Dat was de tijdelijke woning van mijn ouders en broer Hans.”
(Aldus mijn vader, die me deze foto stuurde.)

Nog steeds ben ik deze mensen (ik noemde ze opa en oma van Dongen) dankbaar voor wat zij voor mij gedaan hebben. Ik heb daar bijna een half jaar gewoond.

Eind juli ben ik weer naar huis gegaan. M’n ouders waren intussen ingetrokken bij de familie Nijhoff aan de Potenblokseweg in Heijningen. Want ze konden pas naar het eigen huis aan de Sabinaweg terug wanneer de politie de polder had vrijgegeven.
Toen pas konden zij de schade gaan opnemen en de opruimwerkzaamheden organiseren.

Het was er een troep van jewelste! In de kamer lag meer dan 30 cm. zand op de vloer. We konden er wel spitten. Verder was alles weggespoeld: al het meubilair, het orgel, schilderijen, enz. Zelfs de haard lag een eindje verderop in de kamer op z’n kant.

Woonhuis binnen

Er was heel veel werk aan de winkel. Allereerst alles zoveel mogelijk verzamelen en gesorteerd op soort opslaan. Zo ontstond een berg wrakhout, een berg verwrongen fietsen en ander oud ijzer, bergen zand, puin. Na een paar weken zwoegen hadden we het allemaal redelijk voor elkaar.

Daarna hebben we de slaapkamers schoongemaakt en zijn we daar gaan wonen. Er moesten nog bergen werk verzet worden en dan is het logisch om vlakbij je werk te wonen.

Ik hoefde me niet te vervelen in m’n vakantie. Uit het puin van de ingestorte buitenmuren dat we verzameld hadden, heb ik stenen gebikt. Genoeg om er een schuur van te bouwen, voldoende groot om later onze landbouwmachines, auto, fietsen, opslag voor kolen voor de winter, in te kunnen bergen. Maar vooral om te kunnen knutselen.

Het werd eind september voordat een aannemer tijd had om ons huis te komen restaureren. Dat werd wel tijd, want het werd steeds kouder.aanhalingstekens sluiten Het zou nog ruim een maand gaan duren voordat de mogelijkheid kwam om de haard in de kamer aan te steken. Daarna kostte het nog een paar weken voordat we het hele huis konden gaan bewonen.

Epiloog door Pieter.

Het zoute water dat de Sabina Henricapolder was binnengestroomd had niet de te verwachten gevolgen voor de vruchtbaarheid van het land. Mijn opa zaaide in het voorjaar van 1954 als gebruikelijk en de oogst van dat jaar was zelfs beter dan wat hij gewend was.

Ik heb mijn vader aardig doorgezaagd om duidelijkheid te krijgen over bepaalde zaken. Bij zijn verhaal en herinneringen heb ik de geschiedschrijving nagepluisd en daar een geheel van proberen te maken. Dat gaf soms verrassingen, maar ook informatie die mijn vader niet bekend was en waarmee ik zijn verhaal kon aanvullen.

Er blijven zaken in het duister.
1. Waar zijn de koeien gebleven die bij de boerderij hoorden? Mijn vader had gehoord dat de knecht de koeien in de stal aan de Kraaiendijk had losgesneden, zodat de koeien konden wegkomen. Maar ze zijn nooit teruggevonden. De paarden zijn wel terecht.
2. Wat was het bedrag aan schade aan het huis en de onderneming? Het is uitgerekend, maar niet bekendgemaakt aan mijn vader. Daar praat je niet over, was toen de stelling.

Er zijn diverse filmpjes over de watersnoodramp te vinden op internet. Ik heb er twee hier geëmbed.

.

.

Een televisie-uitzending van 27 januari 2013 over de watersnoodramp, van het programma ‘Andere Tijden’, is hier te bekijken.

Vandaag, 1 februari 2013, zijn mijn ouders, broer en ik naar de 60-jarige herdenking geweest in Heijningen. Het was een goed geregelde bijeenkomst in een grote tent, die helemaal gevuld was met overlevenden en familie en redders.
Na de toespraken en muziekvoorstellingen in de tent gingen we als stille tocht naar het Watersnoodmonument (het beeld dat boven dit artikel staat). Daar werden kransen gelegd en werden ‘The last post’ gespeeld en het Wilhelmus gezongen, waarna iedereen een bezinningsrondje om het monument liep.

Een waardige herdenking.

Na de herdenking werd een lunch aangeboden, waarna we door de Sabinapolder zijn gereden om de herinneringen zichtbaar te maken in de tegenwoordige tijd. Oftewel: we zijn langs het woonhuis op de Sabinaweg gereden en langs de boerderij aan de Kraaiendijk. We mochten van de huidige bewoners zomaar binnen komen kijken.
Ook hebben we Fort Sabina bezocht. Daar was men net de laatste hand aan het leggen aan een blijvende tentoonstelling van de ramp. Deze tentoonstelling opent morgen.

Ik moet al het materiaal van vandaag nog ver- en bewerken om deze dag ook nog een plaats te geven als weblog, maar dat zal nog wel een paar dagen vergen. In ieder geval wil ik, mede namens mijn ouders en broer, nu vooral de huidige bewoners van het woonhuis en van de boerderij ontzettend bedanken voor de gastvrijheid.

Update 5 februari 2013.

Nope, het gaat er niet van komen, van een verslag van de herdenkingsdag.

De watersnoodramp van 1953. Deel 2

monument

(Vervolg van dit blog).

In de nacht van zaterdag 31 januari op zondag 1 februari blijft het zwaar stormen. De wind uit het noord-noordwesten trekt zelfs nog aan tot windkracht 12, orkaankracht. Langs de kust treden windstoten op tot wel 144 kilometer per uur.
Het zeewater blijft die zaterdagnacht ook maar stijgen. Door de gebundelde kracht van storm, hoogwater en springtij stijgt dit water tot hoogten die nog nooit eerder zijn waargenomen. Nog ruimschoots voor de verwachte vloed van 4.30 uur die nacht gaat het mis. Het opgestuwde water slaat rond 2 uur voor het eerst over dijken en vloedplanken. Een uur later breken de eerste dijken in Zeeland.

waterhoogteverloop 1953

Het verloop van de storm en de zeewaterhoogte van 31 januari t/m 1 februari 1953.
Klik op de afbeelding om het verloop te volgen. Blauw is laagwater, rood is hoogwater.

.

De buitendijk van de Sabina Henricapolder, waar mijn opa met zijn gezin woont, breekt nabij fort Sabina op meerdere plaatsen en met een ongekende kracht stroomt het brakke water de polder binnen.

Doorbraak bij Fort Sabina

Doorbraak van de Volkerakdijk bij Fort Sabina.

Aan de noordkant van de polder, langs de Heijningse Haven, breekt de dijk over een lengte van 200 meter.

Doorbraakplaatsen slachtoffers

Overzicht van de Sabina Henricapolder met de doorbraken van de buiten- en binnendijken. De dijk langs het Volkerak heeft een lengte van 2.500 meter; de gaten in de dijk hadden een totale lengte van ruim 1.000 meter.
De doorbraak bij de Dintel was vanuit de polder naar buiten toe.
De cijfers geven het aantal slachtoffers op de betreffende plaats weer.

Zondagochtend 1 februari 1953.

aanhalingstekens openen

Het was ongeveer 5 uur in de ochtend toen vader ons wakker maakte. “Jongens kom er snel uit, de kelder loopt vol water!”, schreeuwde hij. Mijn broertje Hans en ik (kinderen sliepen vroeger altijd met z’n tweeën bij elkaar in een 2-persoonsbed) gingen gauw kijken.
Toen we beneden kwamen schrokken we ons rot. Niet alleen was de kelder volgelopen, maar het water kwam ook al door de brievenbus. Een rare gewaarwording is dat. Even later zagen we het water al tegen de ramen van de huiskamer staan. Toen we beseften dat we snel moesten zorgen wat kostbare spulletjes in veiligheid te brengen, knapte er één van de ramen. Het water gutste naar binnen. We hadden nog net tijd om wadend de trap te bereiken. Het waterpeil steeg buitengewoon snel.
Even later bereikte het water de meterkast. Grote steekvlammen waren het gevolg. Bang als we waren ook nog brand te krijgen, gooiden we met onze handen water naar het vuur, in de hoop dat zo de hoofdzekering snel zou springen (bij ons zat die hoog in een elektriciteitsmast, langs de kant van de weg). En dat lukte.

Buiten ging het water behoorlijk tekeer. Metershoge golven beukten tegen ons huis aan. Het trilde als een rietje. We waren bang, doodsbang, dat ons huis door dat geweld zou bezwijken. Inmiddels was het water bijna tot de dakgoot gestegen en binnen stond het water nog net niet in de slaapkamers. We hadden geen flauwe notie tot hoe hoog het waterpeil nog zou stijgen. Daarom besloot m’n vader om bedden en zoveel mogelijk dekens naar de zolder te brengen, want hij verwachtte niet dat we op de 1e etage zouden kunnen blijven zitten.
Daar zaten we dan, in het pikkedonker op zolder in een kring. Vader, moeder, broertje Hans en ik. Ieder met onze eigen gedachten.

Woonhuis

De voorkant van het woonhuis aan de Sabinaweg.
“Een losstaande linnenkast zou misschien kunnen fungeren als een soort reddingsboei, maar we kwamen er al gauw achter, dat we een linnenkast nooit door zo’n smal zolderraampje (ca. 20 cm. breed) zouden kunnen krijgen. Wijzelf zouden er trouwens ook niet door kunnen. We voelden ons als ratten in een val.”
De foto dateert van ca. 6 weken na de watersnoodramp.

.Raampje

Een paar uur later, toen het wat lichter begon te worden, kwam pa op het idee om door het zolderraam, dat uitzicht bood op de polderdijk meer landinwaarts (de Kraaiendijk), de vlag uit te steken. Dit als teken van leven. Op die dijk, een paar kilometer van ons vandaan, zagen we militairen bezig te proberen om sloepen te water te laten. Maar door de aanlandige storm en het wilde water lukte het ze niet van de wal los te komen. We werden wanhopig. We gingen zoeken naar mogelijkheden om iets te maken dat we konden gebruiken om te vluchten vóórdat ons huis het zou gaan begeven. Een losstaande linnenkast zou misschien kunnen fungeren als een soort reddingsboei, maar we kwamen er al gauw achter dat we een linnenkast nooit door zo’n smal zolderraampje (ca. 20 cm. breed) zouden kunnen krijgen.aanhalingstekens sluiten
Wijzelf zouden er trouwens ook niet door kunnen. We voelden ons als ratten in een val.

Met het dalen van het water die zondagochtend komen de eerste kleinschalige reddingsacties op gang, met name aan de randen van het rampgebied. Particulieren verlenen hier, waar mogelijk, hulp. Met bootjes haalt men mensen uit hun huizen en brengt ze in veiligheid. Op verschillende plaatsen zijn het dus juist gewone burgers en niet de autoriteiten die hulp verlenen.
Afgesneden van de buitenwereld, soms gewoonweg onbekwaam of in afwachting van instructies ‘van boven’, laten deze autoriteiten het op veel plekken afweten.

Hoewel het water gedurende de ochtend daalt, is de ebstand van zondagmiddag 1 februari nog steeds hoger dan de normale vloedstand. Later die dag komt het water opnieuw aanzetten. Ditmaal met nog meer geweld omdat het de doorbraken van de nacht ervoor verbreedt en verdiept. Het zijn muren van water die de polders teisteren. De opkomende vloed leidt wederom tot een schrikbarend hoog waterpeil.

Voor velen blijft er die zondagmiddag maar één ding over: het dak op. Veel huizen die in de afgelopen nacht nog overeind waren gebleven, storten alsnog in. Het water tilt de daken gewoon van de muren. Mensen verdrinken of drijven op delen van het dak of wrakhout over de enorme watermassa. Sommigen verdrinken alsnog, sommigen blijven steken bij een dijk.

Tegen vijf uur ’s middags wordt het donker. En zo gaan duizenden mensen in het rampgebied nat, koud en dorstig een tweede nacht in. Op zolders, op daken, opeengepakt op dijken of in hoger gelegen huizen.

Zondagmiddag 1 februari 1953.

aanhalingstekens openen

De uren verstreken. Gelukkig hadden we het niet koud, dankzij de matrassen en dekens die we eerder naar boven hadden gesjouwd.
Wel begonnen we honger te krijgen, en vooral dorst. Eten en drinken hadden we niet kunnen meenemen. Alleen wat gedroogde appeltjes, maar pa verbood ons daarvan te eten, omdat we daar dorst van zouden krijgen.

Gelukkig was inmiddels het water wat gaan zakken. Het ging ebben. Dat luchtte ons op, het gaf ons weer moed. Vader stelde voor om beurtelings met de vlag te zwaaien, als teken dat we nog leefden. Hopelijk zouden de redders ons dan sneller komen ophalen.

Tevergeefs. Het lukte nog steeds niet de boten op de wind te krijgen. Het werd weer vloed. En omdat het peil van ebben een stuk hoger was gebleven dan normaal, waren we bang dat het peil van de komende vloed nog hoger zou worden dan die we net hadden gehad. Dat zou het huis nooit kunnen houden, vreesden we. We hadden geen hoop meer dat we het zouden redden. Dan leer je bidden! En dat deden we dan ook, ieder op z’n beurt. Pa, Hans en ik baden om onze redding. En moeder bad om de redding voor onze buren, die een paar honderd meter van ons huis woonden. “Waarom bid je niet voor ons?”, vroeg ik haar. “Ach kind”, zei ze, “Dat hebben jullie al gedaan. Ik maak me grote zorgen om hen, want hun huis is veel lager dan dat van ons. ’t Kan makkelijk dat ze er al niet meer zijn”.

——————————————————————-

Noot ter verduidelijking: tijdens de tweede vloed van zondagmiddag komt het water in de Sabina Henricapolder toch niet hoger dan tijdens de eerste vloed van zondagochtend.

Doorbraak Sabina-Elisabeth

Doorgebroken Slobbegorsedijk.

Later blijkt waarom: tijdens de eerste vloed was de binnendijk tussen de Sabina Henricapolder en de Elisabethspolder (de Slobbegorsedijk) op meerdere plaatsen doorgebroken, waardoor het water uit de Sabina Henricapolder weg kon stromen.

——————————————————————-

Het werd avond. Om de beurt hadden we met de vlag gezwaaid. We zagen dat de lucht wat ging breken. aanhalingstekens sluitenTussen de wolkenflarden door konden we in het maanlicht nog net de mensen op de Kraaiendijk zien staan. Reden voor pa om de nacht door te blijven zwaaien. Wij mochten gaan slapen. Wonderwel lukte me dat.

Lees hier verder.